hofhuizen
De Hofhuizen waren monumentale huizen die behoorden aan leden van de hofhouding van het Huis Nassau dat zetelde te Breda. Deze huizen bestonden uit enkele vleugels die om een binnenplaats gegroepeerd waren. De binnenplaats kwam uit op de straat.
Oorspronkelijk waren de meeste hofhuizen te vinden aan de Visserstraat en de Nieuwstraat. Na de stadsbrand van 1534 werden ze vooral aan de Catharinastraat gebouwd. De meeste van deze huizen zijn in de loop van de 18e en 19e eeuw sterk gewijzigd, maar overblijfselen van de oorspronkelijke constructie zijn in de gebouwen nog vaak aan te treffen.
Tot de hofhuizen behoren:
Huize Ocrum (Sint Janstraat 18)
De hoofdingang bevindt zich in de Sint-Janstraat 18. Ernaast staat het huis Hersbeek en iets verderop bevindt zich de Sint-Antoniuskerk. Het is een roodgekleurd huis. Het grootste gedeelte was tot ongeveer 1500 in het bezit van de familie Van Zelbach. Vanaf 1505 was het van Hiëronymus van Oisterzeel. In 1534 werd het huis herbouwd na een stadsbrand. In januari 1536 kochten twee edellieden, Jean de Hocron en Nicolaes d’Aubermont, een stuk grond met de restanten van een afgebrand huis. In datzelfde jaar begonnen ze met de bouw van een nieuw huis. Beide edellieden bekleedden een functie aan het hof van graaf Hendrik III van Nassau. Van 1577 tot 1610 was het gebouw als Augustinessenklooster in gebruik, van 1625 tot 1637 samen met nr 16 als Jezuietenklooster en later kazerne.
In de voorgevel is het wapen van Brederode aangebracht.
Hofhuizen Bruheze, Assendelft en Waelwijk (Nieuwstraat 21 – 25)
De Nieuwstraat is eeen van de oudste straten van Breda. Al op net stratenplan uit 1350 komt ‘De Nieuwe Strate’ voor. Achter de Nieuwstraat bevond zich de eerste omwalling van de stad (voltooid in 1410).
De komst van de Polanens (14de eeuw) en later ook de Nassaus (15de eeuw) naar Breda, zorgde ervoor dat ook andere adellieden zich hier gingen vestigen. Zij bouwden grote huizen, adellijke woningen of hofhuizen genoemd. Aan de zuidzijde van de Nieuwstraat verrezen niet minder dan vier van dergelijke grote woningen (waarvan er nu nog drie bestaan) door invloed van de familie Bruheze. Hier woonden edellieden, die allen op hun manier verbonden waren met het nabijgelegen Kasteel van Breda en hun bewoners.
Het eerste huis, Nieuwstraat 21, bleef lang eigendom van de familie Bruheze. Pas in 1539 krijgt het huis zijn huidige naam: Huis Waelwijk. Huis Waelwijk aan de Nieuwstraat heeft een belangrijke rol gespeeld, toen de Vrede van Breda werd getekend. In de woning werd namelijk het gevolg van de Zweden gehuisvest. De Zweden waren gevraagd als neutrale bemiddelaar.
Waarom nu juist in Breda? Koning Karel II van Engeland verbleef in 1660 al eens zes weken op het Kasteel van Breda, als logé bij zijn zus Maria Henriëtte Stuart, de weduwe van Willem II van Oranje. Vandaar dat er destijds uiteindelijk voor onze stad is gekozen.
De naam Bruheze wordt wel verbonden met de middelste hofwoning, nu Nieuwstraat 23.
Van 1628 tot 1640 waren een aantal panden en het Huis van Assendelft in handen van de Minderbroeders Franciscanen, die er een klooster hadden, dat ze in 1640 verkochten.
De meeste historiek gaat uit naar de woning aan Nieuwstraat 25, het huis Assendelft. Al in 1371 wordt het aldaar gevestigde huis door Jan van Polanen III, Heer van Breda, gekocht. Na enkele generaties van zonen en bastaardzonen, vererfde het huis in 1508 aan Adriana van Nassau, die met hofedelman en schout Dirk van Assendelft getrouwd was.
Het Huis Assendelft was van 1806 tot 1840 in gebruik als weeshuis. In 1849 vestigde de Orde der Franciscanessen zich in het Huis Assendelft en hernoemde dit in “Het Liefdegesticht der zusters Franciscanessen”. Het torentje van Assendelft is één van de meest zichtbare elementen, die behouden zijn gebleven na een grondige verbouwing. In 1871 bouwden ze er nog een nieuwe kapel aan.
In 1934 werd het klooster uitgebreid door de aankoop van het huis Bruhese en in 1951 met de koop van het huis Waelwijk. In 1991 werd het complex verlaten. Na een langere periode van tijdelijk gebruik en leegstand werd vanaf 2013 het complex gerestaureerd en in 2019 werd het huidige hotel geopend.
Huis van Brecht (Cingelstraat 1-3)
Het is gemaakt van steen en dateert uit de tweede helft van de veertiende eeuw. Gouvaert van Brecht kocht het in 1530 en vergrootte tot een L-vormig gebouw. Het bevat nog een torenvormige uitbouw met laatgotisch venster en een open zuilengalerij uit die tijd. Na de list met het Turfschip van Breda vlucht de Spaanse familie naar Luik en werd het huis van het Bredase stadsbestuur.In 1830 werd het een onderdeel van de Koninklijke Militaire Academie, en toen werd vooral de buitenzijde van het gebouw sterk gewijzigd.
Justinus van Nassau (Kasteelplein 55/Cingelstraat)
Het hofhuis werd kort na 1534 gebouwd in opdracht van Gabriel van Biest. Het bestond uit drie vleugels die om een binnenplaats waren gegroepeerd en een traptoren. Van 1606-1608 werd door Justinus van Nassau een achtkantige hoektoren aan de buitenzijde gebouwd, en er kwam een galerij om de binnenplaats.
In 1790 volgde een verbouwing in Lodewijk XVI-stijl door Willem Frederik van Oranje-Nassau. Hierbij werden de muren, die voorzien waren van natuurstenen speklagen, gepleisterd. Het huis bevat schouwen in Lodewijk XIV-stijl en stucplafonds in Lodewijk XV-stijl.
Vanaf 1923 werd het pand het Ethnografisch Museum van de KMA. In 1956 kwam er het Volkenkundig Museum Justinus van Nassau in. Er was een ingrijpende verbouwing van 1962-1968. Op 1 januari 1993 werd het museum gesloten vanwege bezuinigingen. Tegenwoordig zijn er na een grondige restauratiebeurt door de NV Stadsherstel appartementen in gevestigd.
Reigerstraat 16 t/m 24
Tussen het kasteel en de kerk bevond zich de Herberg van de Heer, later bekend als de Huizinge van Elderen. Dit was het eigenlijke woonhuis van de heren van Breda en zou zijn gebouwd door Jan II van Polanen. In 1394 werd het gebouw waarschijnlijk voor het eerst genoemd en in 1418 voor het eerst aangeduid als ‘die herberghe’. Het complex bestond uit een grote onderkelderde zaal en bijgebouwen binnen een ommuring. De kelders onder Reigerstraat 22 dateren waarschijnlijk uit deze bouwfase. In 1514 heeft graaf Hendrik III het gebouw afgestoten. Het bleef een van de grootste hofhuizen van Breda. In 1660 werd het enorme complex opgedeeld. Het muurwerk, de kelder en de originele balklagen bevinden zich nog steeds in de huidige gebouwen in de Reigerstraat.
Op deze plaats stond tot tot in de 19e eeuw het complex van de Herberg van de Heer, tot in de negentiende eeuw ‘het Huis Van Elderen’ genoemd.
Dit hofcomplex heeft aanzienlijke adellijke functionarissen gehuisvest van de Nassau ’s, die hier destijds een soort van miniatuurhof hielden. Eigenlijk zijn alle grote besluiten in de stadshistorie, tot zeker het midden van de vijftiende eeuw, hier genomen. Oorspronkelijk had het gediend als logeerhuis voor de gasten van de graven van Nassau, toen het Kasteel van Breda nog niet verbouwd en uitgebreid was. Behalve de woonvertrekken telde het kolossale gebouw, dat in een voor- en achterhuis uiteenviel, ook een ‘ridderzaal’, een kloeke ruimte waar de heer zijn gasten kon ontvangen, een grote onderkelderde zaal en bijgebouwen binnen een ommuring.
Halverwege de vijftiende eeuw neemt de familie van Nassau haar intrek in het nieuwe woonkasteel binnen de muren van het Kasteel van Breda.
De toenmalige graaf, Jan IV van Nassau, verhuurde de Herberghe in 1459 aan zijn schout Adam van Nispen (de man die in 1468 de eerste steen voor de Grote Toren legde). In 1514 deden de Nassau ’s voorgoed afstand van het hofhuis. In dat jaar verkocht de nieuwe Nassaugraaf Hendrik III het pand aan zijn schout, jonker Wijnand van Masschereel. Het bleef een van de grootste en fraaiste hofhuizen van Breda. Het muurwerk, de kelder en de originele balklagen bevinden zich nog steeds in de huidige gebouwen in de Reigerstraat.
Frederik van Renesse (ook wel heer van Many en Mal en afkomstig uit Utrecht) kocht het in 1529 van Wijnand van Maschereel voor 2.400 rijnsguldens en verbouwde de herberghe het tot een U-vormig hofhuis, waarbij de oude kern een verdieping kreeg.
Het gebouw schijnt te hebben bestaan uit drie om een binnenplaats gebouwde vleugels. De twee evenwijdige vleugels, met hun gevelzijden naar de straat gewend, waren verbonden door een muur, waarin een toegangspoort. En zo schoof het complex in oostelijke richting op naar de huidige percelen Reigerstraat 16 tot 20.
Een grote keuken verrees aan de westzijde, op het huidige huisnummer 24. De keuken was in de laatmiddeleeuwse kastelen en hofhuizen meestal gelegen in de nabijheid van representatieve ruimtes, zoals de zaal, een kamer en het trappenhuis.
In 1539 sterft Frederik en ligt hij nog steeds in een tombe in de Grote Kerk. Jan van Renesse, zoon van Frederik, en door zijn tijdgenoten ook wel mijnheer van Elderen genoemd, zet de traditie van zijn vader voort. Naast een kasteel in Oostmalle, had hij ook heerlijkheid Elderen in bezit, vandaar de naam. Jan heeft een huishouden als een weeshuis, met 12 kinderen en personeel. In het huis, zoals in de meeste grote woonhuizen in die tijd, werden vele activiteiten uitgevoerd: was gedaan, linnen weven, slacht van koeien en schapen, bierbrouwerij. Verder had het geweldig grote kelders om alle voorraden op te slaan, zoals turf-, wijn-, slacht- en provisiekelders. In relatie tot zo’n groot huishouden, wat wel tot 40 personen telde, kun je je voorstellen dat de keuken in dit pand groot moet zijn geweest.
In 1561 sterft Jan van Renesse van Elderen en wordt hij bijgezet bij zijn eerste vrouw in de kooromgang van de Grote Kerk. Zijn tweede vrouw, Catharina van Bronkhorst-Batenburch, krijgt het vruchtgebruik over het huis van Elderen. Door de grootte van het huis had zij alleen een vleugel in gebruik en heeft het huis in drieën laten splitsen. Zij zal hier tot haar dood in 1605 verblijven.
Een achternicht van haar, Catharina Margaretha van Renesse, krijgt het dan in bezit. Haar dochter, Alexandrine de Bauïe verkoopt in 1661 het complex aan sinjeur Pieter de Lindt.
Pieter de Lindt maakt er zes huizen van en naar gewoonte van de tijd kregen ze de volgende namen:
* Het Wapen van Friesland (van Renesse was stadhouder van Holland, Zeeland en Friesland geweest)
* Het Wapen van Frankrijk: nummer 22, school.
* Het Hof van Holland: nummer 24 hotel, café, restaurant
* De Vergulde Slang (later het Vergulde Zeepaard)
* De Groene Scheer
In 1932 is het pand op nummer 24 volledig gesloopt en de bouw van bioscoop Casino Theater begonnen. Twee jaar na de bioscoopbouw werd in 1934 De Graanbeurs (nr. 18-20) ingrijpend verbouwd. Daarbij sneuvelde het laatste zichtbare overblijfsel van het Huis van Renesse, de laatgotische inrijpoort van het binnenplein.
Huis Wijngaerde (Catharinastraat 9)
In 1614 liet jonker Hendrik van Wijngaerden, die verbonden was aan van de hofhouding van de Bredase Nassaus, een huis bouwen aan de Catharinastraat. Het pand, een zogenaamd hofhuis, heeft een bijzondere opzet. Door het verschil in verdiepinghoogten en door een onderbreking in de zandstenen banden in het metselwerk lijkt het om twee verschillende panden te gaan. Dit is echter niet het geval. Het pand wordt ontsloten door een rondboogpoort met daarboven een zandstenen reliëf met twee leeuwen en het wapen van de bouwheer. Het wapen van Van Wijngaerden zien we ook terug in enkele oude sluitstenen van de korfbogen boven de vensters. Hierin is een druiventros gebeeldhouwd. De vlakke sluitstenen zijn aangebracht bij de gevelrestauratie van 1901.
Aan de Catharinastraat staan een aantal vroegere hofhuizen, namelijk Catharinastraat 14-16, 18, 20, 24, 26-28 en 91-93. Deze zijn alle kort na 1534 gebouwd en later nog gewijzigd.
Hof van Hersbeek (Sint Janstraat 16)
De voorgevel dateert van de negentiende eeuw en laat eigenlijk niet vermoeden hoe oud het pand is dat er achter verscholen gaat. Aan de achterzijde, vanuit het binnenhofje Hof van Hersbeek, zien we stenen kruiskozijnen, speklagen en steigergaten die verraden hoe oud het pand in werkelijkheid is.
Het perceel van het huidige Hof Hersbeek wordt al genoemd in 1417. Dit perceel omvatte toen het huidige Huis Hersbeek en het Huis Ocrum. In 1513 kwam het in handen van Hendrik van Nassau, een zoon van Jan de Bastaard van Nassau die op zijn beurt de zoon was van graaf Jan IV van Nassau en juffrouw Van Loemel. Het huis werd vernield in de grote stadsbrand van 1534. De erfgenamen verkochten in 1536 het braakliggend terrein aan Diederick Zeeszin, rentmeester van de graaf van Nassau. Tussen 27 augustus 1536 en 23 mei 1539 is het huidige Huis Hersbeek gebouwd. Op een gegeven moment is het pand door erfenis en huwelijk in handen gekomen van jonkheer Pauwel van Hersbeeck, heer van Bruinisse. Naar deze eigenaar is het huis bekend gebleven als Huis Hersbeek. De hofhuizen worden in verband gebracht met de aanwezigheid van de Nassaus in Breda vóór de Tachtigjarige Oorlog. Breda wordt tegenwoordig met kracht gepromoot als Nassaustad en aandacht voor de hofhuizen of adellijke woningen kan daarbij helpen.
De huidige Hof van Hersbeek is aangelegd in 2007. Architect Lucas Ruys tekende voor de nieuwe appartementen en de restauratie van het oude Huis Hersbeek. De Bredase kunstenaar Eloi Koreman ontwierp de buitenruimte, het metalen hek in de poort met daarin de woorden ‘Hof van Hersbeek’ en het kunstwerk de Regenmeter. Op 24 juli 2007 stelde het College van Burgemeester en Wethouders de straatnaam vast. De binnenhof is de oude achtertuin, de hof van het Huis Hersbeek, de Hof van Hersbeek dus.
Kapucijnenhof (Сatharinastraaat 91-93)
Het Kapucijnenhof ligt aan de noordzijde van de Catharinastraat.
Charles de Héraugière had, als gouverneur van de stad in de periode 1591-1603, zijn woonhuis aan Catharinastraat 91-93. Hij werd bekend als commandant van de troepen die de list met het turfschip uitgevoerd hebben.
Het Kapucijnenhof is gedeeltelijk de oude binnenplaats van het woonhuis van De Héraugière. Gedeeltelijk omvat het moderne appartementen. Tussen 1625 en 1637 was hier het klooster van de kapucijnen,
Kapucijnenklooster
In 1568 brak de Tachtigjarig Oorlog aan. Toen in 1625 de Spaanse veldheer Spinola Breda heroverde vestigde zich in zijn spoor een aantal kloosters in de stad. De kapucijnen kochten in de Catharinastraat de panden 87, 89, 91 en 93. Hun verblijf zou slechts van korte duur zijn. In 1637 moesten de paters weer de stad verlaten. Zij wisten door verbouwen en samenvoeging van de genoemde panden een ruim kloostercomplex op te zetten. Enige jaren na hun vertrek werd het complex verkocht en opnieuw in verschillende wooneenheden opgesplitst.
De Kapucijnenhof
Op de plattegrond van het Valkenberg van landmeter Christoffel Verhoff staat hier ter plaatse aangegeven ‘den Hof van de Cappucinen, modo Sijne Hoogheit’. Deze hof of tuin lag achter het pand Catharinastraat 91-93 en strekte zich uit tot aan de Doelstraat, de latere Zwaanstraat en tot achter het Begijnhof. De Kapucijnenhof omvatte dus een aanzienlijk gedeelte van het huidige Valkenberg. Het Kapucijnenhof werd, samen met het klooster, door de Kapucijnen verkocht aan de familie Van Aerssen, die de tuin in 1679 weer verkocht aan prins Willem III. Lievin Rosseels reorganiseerde het Valkenberg in 1886 en pas toen werd de Capucijnenhof, zoals het nog steeds heette, bij het stadspark gevoegd.
Herontwikkeling
In 2000 werd het hofhuis Catharinastraat 91-93 herontwikkeld tot appartementen en werd om het hofhuis heen nieuwbouw gepleegd.
Archeologisch onderzoek
Bij de eerder herontwikkeling werd in de poort naar het hof een beerkelder aangetroffen met een uitzonderlijk rijke inhoud. Het materiaal uit deze put is direct toe te schrijven aan het huishouden van de Héraugière.
Klooster Sint Catharinadal (Kloosterplein)
Norbertinessen stichtten rond 1270 het klooster Sint-Catharinadal in Wouw. Ze werden zo geteisterd door overstromingen dat zij al na vijfentwintig jaar hun klooster naar Breda verplaatsten. Eerst vonden de zusters onderdak in het Gasthuis aan de Boschstraat, maar deze situatie bleek onwerkbaar te zijn. De zusters bouwden daarom een eigen klooster op een hoge zandkop ten zuiden van het Gasthuis. De gebouwen aan het huidige Kloosterplein stammen uit een latere tijd. De bloeitijd van het klooster viel tussen 1463 en 1531. Op 8 februari 1501 werd door de priorin van het klooster Sint-Catharinadal de eerste steen gelegd voor een nieuwe kerk. In 1502 was de kerk voltooid, opgetrokken in de stijl van de Brabantse gotiek. De vier westelijke travee waren oorspronkelijk onderverdeeld in een boven- en een onderkerk. De bovenverdieping, de nonnengalerij, was bestemd voor de kloosterzusters. In 1566 werd het gebouw geteisterd door de Beeldenstorm.
Deze nieuwe kerk gebouwd domineert tot op de dag van vandaag het Kloosterplein. In 1645 verhuisden de zusters naar Oosterhout, waar zij nog steeds gevestigd zijn.
In 1646 nam prins Frederik Hendrik het initiatief om in Breda een vorm te stichten van universitair onderwijs, de Illustere School. Het instituut werd ondergebracht in het in 1645 door de nonnen verlaten klooster Sint-Catharinadal en moest een protestants cultuurcentrum gaan vormen in Staats-Brabant. De universiteit werd plechtig geopend op 17 september 1646 in de Grote Kerk in tegenwoordigheid van Amalia van Solms, die haar man Frederik Hendrik verving. De hoogleraren waren afkomstig uit alle landen van Europa en doceerden theologie, rechtsgeleerdheid, geneeskunde, plantkunde, Grieks, wiskunde, geschiedenis en Hebreeuws. De Bredase universiteit bestond helaas maar tot 1669.